terug
(PDSN/IDSN, sep 2014)


Nota gepresenteerd aan VN Experts Mensenrechten

Religieuze minderheden in Pakistan: Dalits


Er is in toenemende mate sprake van discriminatie, vervolging en geweld tegen religieuze minderheden in Pakistan en een gestage uitholling van hun burgerrechten. Groeiend extremisme en een verhoogd gevoel van religieuze identiteit onder de meerderheid van de bevolking ten koste van de identiteit als staatsburger, zorgt bij de minderheden voor een intenser gevoel van vervreemding van de reguliere samenleving. Het groeiend aantal incidenten van groepsgeweld, gerichte moorden, beschuldiging van godslastering, gedwongen bekering van minderjarige meisjes en het onvermogen van de overheid om schendingen van de rechten van minderheden te beteugelen zijn zeer verontrustend. De mate van geweld en van bedreiging van hun identiteit, cultuur, religie, hun leven en hun eigendommen hebben een punt bereikt waarop de minderheden in voortdurende angst leven en bezorgd zijn en zich zorgen maken over een dreigende ramp.

Veel Dalits in Sindh
De moslim-meerderheid van de bevolking (officieel 96,28 procent) is verdeeld in soennieten (80 procent), waaronder verschillende sub-sekten (zoals Deobandi en Brelvi), en een aanzienlijke sjiitische minderheid (20 procent) en de afstammelingen daarvan (zoals Bohra en Ismali). De niet-islamitische minderheid, 3,7 procent van de totale bevolking, omvat hindoes, christenen, Sikhs, Parsi's, Jains, Kalashas en Ahmedis.

Hindoes zijn met twee miljoen mensen de grootste religieuze minderheid. Officieel is de hindoeïstische bevolking opgedeeld in hindoes (jati) en 'geregistreerde kasten' (kastelozen ofwel Dalits). De laatste volkstelling, gehouden in 1998, gaf een lage bevolkingsdichtheid (0,25 procent) voor Dalits, tegen 1,6 procent voor hogere kaste hindoes van de totale religieuze minderheidsbevolking. Deze cijfers worden aangevochten door mensenrechtenactivisten. Cijfers uit de praktijk wijzen op een groter aantal Dalits die gediscrimineerd worden door zowel de islamitische meerderheid als de hogere kaste hindoes.

Minderheden slecht vertegenwoordigd
Grondwettelijk en wettelijk hebben Dalits gelijke rechten op onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, openbare diensten en infrastructuur. Maar sociale discriminatie leidt tot praktijken van uitsluiting die de minderheidsgroepen het volledige profijt van deze faciliteiten ontnemen. Kasteloze hindoes, een van de meest kwetsbare gemeenschappen, leven geconcentreerd in de landelijke gebieden van Sindh, voornamelijk in semi-aride gebieden of in de districten zonder fysieke en sociale infrastructuur. Vooroordelen tegen minderheden zijn diepgeworteld, en diverse vormen van onaanraakbaarheid, waaronder beperking van de toegang tot private of publieke ruimten en openbare diensten, worden tegen Dalits gepraktiseerd, zowel door de hogere kaste hindoes als de moslims. Dalit-gemeenschappen zijn meestal landarbeiders, zonder eigen kapitaal, vaak schuldslaaf.

In het nationale parlement zijn er op een totaal van 342 zetels 10 zetels gereserveerd voor religieuze minderheden, terwijl hen vier zetels zijn toegewezen in de Senaat (van de 104). In de provinciale parlementen heeft Punjab 8 gereserveerde plaatsen (op de 371) voor de minderheiden (op de 371), in Sindh 9 op de 168, in Khyber Pakhtoonkhwa 3 op de 124, en in Baluchistan 3 op de 65.
Minderheidsparlementariërs zijn geneigd om partijpolitiek voorrang te geven boven minderheidszaken, en zijn niet bereid of niet in staat om problemen met betrekking tot religieuze minderheden aan te kaarten. Bij de algemene verkiezingen in 2013 demonstreerden Dalits om te protesteren tegen de politieke partijen die alleen hogere kaste hindoes op de kandidatenlijst zetten. Momenteel zijn er slechts drie Dalit-parlementsleden: een in het nationale parlement en twee in provinciale parlementen (Sindh en Punjab).

Gedwongen bekeringen
In de afgelopen jaren is de ontvoering en gedwongen bekering van jonge hindoemeisjes een ernstig probleem geworden. De meerderheid van deze gevallen hebben betrekking op arme Dalit-gemeenschappen. In een van die gevallen, in 2010, verliet een hele gemeenschap van 71 Meghwar-families hun voorouderlijke dorp Thar Murk om te verhuizen naar de rand van Mithi omdat een van hun dochters met geweld tot een huwelijk werd gedwongen en tot de islam werd bekeerd door de zoon van de landheer. Rechtenactivisten beweren dat er, omdat er nooit een uitspraak van de rechter over gedwongen bekeringen is geweest tot steun van benadeelde hindoegezinnen, er geen precedent is die deze misdaad ontmoedigt.

Het probleem van gedwongen bekering wordt verergerd door het ontbreken van hindoe-privaatrecht [o.a. over scheiding, erfenissen etc]. Dat is al 67 jaar het geval, sinds de oprichting van het land. Dit zijn geen prioriteiten voor de meerderheid van de parlementsleden, en de paar hindoes die parlementariër zijn geweest behoorden tot de hogere kaste en hadden vaak een patriarchale en orthodoxe mentaliteit.

Ontheiliging van de dode lichamen van leden van Dalit-gemeenschap die haar doden begraaft heeft zich voorgedaan in het district Badin. Twee van dergelijke incidenten werden gemeld in 2013. De dode lichamen van Bhuro Bheel, een volkszanger, en een andere Bheel werden verwijderd door fanatieke moslims onder het voorwendsel dat ze werden begraven op het islamitische deel van de begraafplaats.

Moord, verkrachting en intimidatie
Er wordt ook vaak melding gemaakt van verkrachting van jonge Dalit-meisjes. Bij een gruwelijke incident in oktober 2013 werd een jong Dalit-meisje, Kaku Kolhi, gedood door de zoon van een lokale landheer tegen wie ze twee weken voor haar dood een klacht wegens verkrachting had ingediend. Leden van het Pakistan Dalit Solidarity Network boden juridische bijstand, maar de familie trok de zaak in een later stadium terug, met als verklaring dat zij de moordenaar had vergeven. Uiteraard werd de arme familie onder druk gezet en kreeg ze een som geld betaald. Er is dringend behoefte aan een onafhankelijke aanpak om dergelijke gevallen te vervolgen en de daders te berechten.

In een recente geval van geweld tegen minderheden werden twee broers, Heera Lal en Ashok Kumar, behorende tot de Malhi-gemeenschap (een sub-kaste van hindoes), op 1 augustus 2014 gedood in de stad Umerkot. Het district Umerkot grenst aan India en kent een omvangrijke hindoebevolking, waaronder een groot aantal Dalits. Het incident heeft angst gezaaid onder de lokale hindoes, en het is de politie niet gelukt om de moordenaars te arresteren, ondanks dat er bijna twee maanden zijn verstreken. Lokale leiders vrezen dat dergelijke incidenten zullen leiden tot een verdere intimidatie van de reeds gemarginaliseerde gemeenschap.

Er zijn ook meldingen van de migratie van een aantal Hindoe-gezinnen naar India als gevolg van toenemend geweld daartegen. Er zijn nog geen betrouwbare gegevens hierover beschikbaar, maar het vereist aandacht en actie.

Uitdagingen en beperkingen
De Grondwet van Pakistan kent fundamentele rechten toe aan alle burgers (artikelen 8 tot 28), maar toch leggen bepaalde onderdelen van de Grondwet de ideologische basis voor ongelijkheid en onderscheid tussen moslims en niet-moslims. De rechterlijke macht en het personeel binnen justitie en het rechtshandhavende systeem werken - over het algemeen - vanuit discriminerende opvattingen jegens minderheden.

Dalits worden gediscrimineerd om vier eigenschappen van hun status in Pakistan: ze zijn hindoe, van lage kaste, arm en ze wonen op het platteland. Gebrek aan onderwijs is hun grootste belemmering. Het goeddeels ontbreken van zeggenschap en vertegenwoordiging is een andere ernstige belemmering voor de Dalits. Ze worden niet vertegenwoordigd in zowel de meerderheids- als de minderheidsbesluitvormingsorganen, omdat de minderheidsvertegenwoordiging door hogere kaste en vermogende hindoes wordt waargenomen.

De problemen waarmee de lagere rechterlijke macht wordt geconfronteerd variëren van zwak en verouderd juridisch onderwijs, gebrekkige infrastructuur, ad-hoc beleid, politiek gemotiveerde benoemingen en overplaatsing naar plaatsen zonder beveiliging en veiligheid van het gerechtelijk personeel bij bedreigingen, intimidatie en geweld door ontevreden partijen en extremistische groepen.

Positieve ontwikkelingen
In juni 2014 kwam het Hooggerechtshof van Pakistan met een historisch vonnis. Drie rechters onder leiding van opperrechter Tusadiq Hussain Gilani verklaarden dat vrijheid van geloof en het belijden van een religie naar keuze een fundamenteel recht van alle burgers is. De rechtbank beval ook de overheid om ervoor te zorgen dat vergoedingen worden betaald aan de slachtoffers van een bomaanslag op een kerk in Peshawar, dat er een speciale eenheid wordt gevormd om religieuze plaatsen/locaties van minderheden te beschermen, en dat er werkgelegenheidsquota voor minderheden worden gewaarborgd. Het vonnis voorziet ook in de oprichting van een permanente afdeling van het Hooggerechtshof om de klachten op een regelmatige basis te behandelen en ervoor te zorgen dat het vonnis wordt uitgevoerd.

Minderheidsrechtenadvocaten, waaronder ook hindoes, hebben positieve veranderingen gemeld in de rechterlijke macht in de afgelopen jaren omdat het Gerechtelijk Beleid 2009 en haar herzieningen in 2010, 2011 en 2012 geprobeerd hebben om uitvoering van zaken te bespoedigen. De meeste gevallen worden inmiddels binnen twee tot drie maanden afgewikkeld. De nadruk ligt op strikte naleving van de richtlijnen voor rechters en de principes, de toepassing van criteria voor het werven van magistraten en neutraliteit en objectiviteit bij de toepassing van het recht. Het beleid kent de bepaling dat rechters met vooroordelen tegen niet-moslims dergelijke gevallen niet kunnen behandelen.

Aanbevelingen aan de regering van Pakistan

  • Handhaving van de grondwettelijke bepalingen die de fundamentele rechten van de minderheden waarborgen.
  • Grondwetsherziening om tegenstrijdigheden met betrekking tot minderheidsgroepen te verwijderen... Zo diskwalificeert artikel 41 niet-moslims voor de functie van president; Artikel 91 (3) diskwalificeert niet-moslims voor de functie van minister-president.
  • Het opnemen van advocaten en rechters uit minderheidsgemeenschappen in het gerechtelijk systeem.
  • Bevordering van het concept van gelijk burgerschap en mensenrechten van minderheden in het studiepakket van juridisch onderwijs en de opleiding van rechters.
  • Strikte toepassing van de wetten tegen haat zaaien.
  • Het aannemen van een wet om gedwongen geloofsbekering aan te pakken, inclusief de bepaling waarin de minimumleeftijd van bekering op 18 jaar gesteld wordt.
  • Het opstellen en invoeren van antidiscriminatie wetgeving om minderheden te beschermen met de instemming van de betreffende groepen.
  • Verklaar kastendiscriminatie een misdaad; vaardig wetgeving uit om discriminatie op grond van kaste te verbieden, met speciale voorzieningen voor een effectieve bescherming en rechtshandhaving.


Meer informatie:

Opmerkingen en aanbevelingen VN over kastendiscriminatie in Pakistan:

IDSN Pakistan nota met belangrijkste punten van aandacht m.b.t. de mensenrechten voor Dalits in Pakistan en gerelateerde, alsmede relevante bronnen en referenties: Beroep IDSN op de VN speciale procedures met een aantal verzoeken en aanbevelingen voor die VN speciale procedures: Dringend beroep PDSN en ISDN n.a.v. de brute moord op twee handelaren die behoren tot de hindoe-gemeenschap en de algemene dreiging en geweld tegen de niet-moslim gemeenschap van Umerkot, Sindh:
laatste wijziging: