terug
(The Guardian, 1-3-2016)

De vrouwen die weigeren India's smerigste werk te doen

Ranikumari Khokar voert campagne om een eind te maken aan de kastengebonden praktijk die vrouwen veroordeelt tot het opruimen van menselijk afval met de hand

Door: Shai Venkatraman


Dochters van bevrijde poepruimers tijdens een ‘kindervergadering’ georganiseerd door de NGO Jan Sahas

"Iedere ochtend ging ik met een bezem en een blik naar de huizen van de hoge kaste Thakurs om hun uitwerpselen op te halen. Ik verzamelde het afval in een rieten mand en gooide het later op een stortplaats buiten het dorp."

Als u ziet hoe een zelfverzekerde Ranikumari Khokar een groep jongens en meisjes uitlegt hoe je aangifte doet bij de politie, is het moeilijk voor te stellen dat deze 21-jarige het grootste deel van haar jeugd werkte als poepruimer. Tegenwoordig is ze een "rechtshulpverlener", een initiatief gestart door Jan Sahas, een NGO die al 12 jaar campagne voert tegen de praktijk van handmatig poepruimen. Sinds de start van het programma in 2014 werden in de deelstaten Madhya Pradesh en Rajasthan 800 meisjes en jonge vrouwen opgeleid.

Ranikumari was 12 jaar toen ze de familietraditie volgde. Voor het reinigen van 10 toiletten per dag verdiende ze zes roti’s, wat etensresten en een paar oude kleren tijdens het Diwali festival. Van weigeren was geen sprake, alle vrouwen in haar gemeenschap deden het.

Handmatig poepruimen - een taak die hen vanwege hun kaste is opgelegd - veroordeelt vooral vrouwen tot het verwijderen van uitwerpselen uit droge latrines met hun handen en die op hun hoofden naar stortplaatsen te dragen. Mannen uit hun gemeenschap reinigen open goten en riolen, vaak zonder beschermende kleding.

Het merendeel van de poepruimers wordt geringschattend bhangi – "gebroken persoonlijkheid" - genoemd, en is Dalit, iemand op de laagste trede van het kastensysteem waarvan verwacht wordt dat hij taken uitvoert die worden beschouwd als beneden de waardigheid van degenen hoger in de hiërarchie.

"Er werd op ons neergekeken door de dorpelingen," herinnert Ranikumari zich. "Nooit liepen ze met ons samen op. Bij de dorpsbron moesten we op een afstand wachten totdat iedereen van water voorzien was."

Nog erger was de discriminatie op school. "De docenten noemden ons bhangans [kinderen van bhangis] en verwachtten van ons dat wij de toiletten en de klaslokalen schoonmaakten. We zaten apart van de anderen en kregen nooit de kans deel te nemen aan speciale schoolactiviteiten," aldus Ranikumari.

Kastendiscriminatie en onaanraakbaarheid werden in India in 1955 verboden, en in de decennia daarna werden verschillende beleidsmaatregelen aangekondigd om de onmenselijke praktijk van poepruimen te beëindigen. Artikel 17 van India’s grondwet maakt duidelijk een eind aan de praktijk, terwijl de 1993 Dry Toilets Prohibition Act (Wet op het Verbod van Droogtoiletten uit 1993) tewerkstelling als handmatig poepruimer verbiedt.

Maar geen van deze beleidsmaatregelen was effectief omdat poepruimen werd beschouwd als een kwestie van gezondheid en sanitaire voorziening, waarvoor de deelstaatregeringen verantwoordelijk waren. Veel deelstaten, zoals Delhi en Rajasthan, stelden het beleid niet eens in werking, en de deelstaten waar dat wel gebeurde toonden weinig wil om dat in de praktijk af te dwingen. Mensen waren er niet van op de hoogte dat ze het recht hadden dit werk te weigeren. De enkeling die dat wel aandurfde kwam onder intense sociale druk, zonder steun van de lokale overheid. Zij riskeerden geweld en verbanning.

Het International Dalit Solidarity Network, dat zich inzet voor de beëindiging van kastendiscriminatie, schat dat er ongeveer 1,3 miljoen handmatige poepruimers zijn in India, de meeste van hen vrouwen. Deze vrouwen zijn dubbel slachtoffer: er wordt op hen neergekeken door de hogere kasten en ze worden thuis gediscrimineerd.

"Mensen uit mijn dorp lopen in een wijde boog om ons heen alsof we een geur verspreidden die ze niet konden verdragen”, zegt Mayu, een inwoner van het dorp Sava in Rajasthan. "We moeten water putten uit een bron waarin dode dieren en vogels werden gevonden, en als iemand ons eten gaf werd het in onze richting gegooid. Zelfs mijn man zegt me vele malen te baden omdat ik andermans stront opruim, hoewel hij geen probleem heeft de roti’s te eten die ik mee naar huis breng."

Tegen dit soort opvattingen moest Jan Sahas de strijd aanbinden toen zij in 2003 haar campagne begon.

"Men deed hen geloven dat ze van een lage kaste zijn," zegt Aashif Shaikh, oprichter van Jan Sahas. "Ze vertelden ons dat 'dit werk ons is gegeven door God en we blij moesten zijn te eten te hebben'. In werkelijkheid werden we slechter behandeld dan dieren." Omdat ze zelden in contanten werden betaald, waren ze afhankelijk van de hogere kasten voor de basale levensbehoeften, zoals voedsel, kleding en onderdak.

Jan Sahas begon haar werk in twee dorpen in Rajasthan. Het zou bijna twee jaar duren voordat ze de gemeenschap konden overtuigen de bezems neer te leggen. Het waren de kinderen, vooral meisjes, die voor een doorbraak zorgden.

"De meisjes waren vastbesloten een eind te maken aan deze praktijk", zegt Shaikh. "Ze waren diep ongelukkig over de discriminatie die ze ondervonden op scholen, zodat we ze konden overhalen te spreken op onze bijeenkomsten."

Maar er was hevig verzet van de hogere kasten; enkele huizen van Dalits werden zelfs in brand gestoken. De lokale politie weigerde in te grijpen, en pas toen districtsambtenaren tussenbeide kwamen werd er actie ondernomen.

Jan Sahas beweert sinds 2003 meer dan 21.000 vrouwen te hebben bevrijd in Madhya Pradesh, Bihar en Rajasthan. Deze vrouwen werden ambassadrices voor de beweging, en het was hun landelijke protest in 2013 die in het Indiase parlement leidde tot het ontwerp van een nieuwe, sterkere wet tegen poepruimen. Degenen die handmatige poepruimers in dienst neemt kan één jaar gevangenisstraf krijgen en een boete van 50.000 roepies (ruim 680 euro). Voor herhaalde overtredingen wordt de straf twee jaar en de boete 100.000 roepies (1365 euro).

Naast de strengere straffen verplicht de Prohibition of Employment as Manual Scavengers and their Rehabilitation Act, 2013 om de geredde poepruimers een nieuw bestaan te bieden. Ze krijgen nu 40.000 roepies (zo’n 550 euro) als compensatie van de overheid en worden opgeleid voor ander werk.

Veel vrouwen werken nu in door de overheid gefinancierde bouwprojecten en in kleine fabrieken. Anderen zijn ingeschreven voor maatschappelijke initiatieven gestart door NGO's die opleidingen bieden in vaardigheden als kleren maken en borduren.

Mensen op andere gedachten brengen blijft echter een uitdaging omdat kastendiscriminatie nog steeds diepgeworteld is in de Indiase samenleving.

"Je kunt in India van godsdienst veranderen, maar niet van kaste", zegt Shaikh. "Je hoort van de mensen die zich bekeren tot een andere godsdienst, maar hun kaste blijft hetzelfde, en dit geldt zelfs voor moslims en sikhs, hoewel beide religies geen kastensysteem kennen. Zelfs de politiek wordt bedreven op grond van kaste."

De weg voorwaarts, zo geloven activisten, is het opleiden van de jongere generatie die open staat voor verandering. Het initiatief om rechtshulp te verlenen, waarbij mannen en vrouwen uit alle gemeenschappen getraind worden, is een stap in die richting.

"Ik reis verschillende dorpen af en onderwijs de jeugd over wetten met betrekking tot kastendiscriminatie, aanranding en verkrachting", zegt Ranikumari. "Ik spreek zelfs met de schoolleiding als ik klachten over discriminatie hoor. Als kind kon ik niet voor mezelf spreken, maar nu heb ik een stem."

[vertaling: LIW]


laatste wijziging: